Het roer om (deel 3)

13 februari 2012


Mijn besluit om kok te worden was niet uit de lucht komen vallen. Als enige jongen uit een gezin van zes had ik als kind al meer interesse in de kookkunsten van mijn moeder dan mijn drie zussen. Ik was na school vaak naast haar aan het aanrecht te vinden. Hoewel mijn moeder traditioneel en eenvoudig kookte, was het altijd goed en lekker. Er zat in ons eten een wekelijks terugkerende routine van vlees, aardappelen en groente, en we aten minstens één keer in de week spaghetti, pannenkoeken met appel en spek, tomatensoep, zelfgemaakte nasi of vis. Dat laatste gerecht meestal op zondag en niet op vrijdag zoals het een goed katholiek gezin zou betamen. Maar het geloof was ook bij ons tanende, en hoewel mijn vader de kerk nog steeds wekelijks financieel schijnt te spekken, werd er weinig aandacht aan besteed.

Aan het eten des te meer en ik geloof werkelijk dat daar het fundament voor mijn culinaire interesse is gelegd. We gingen maar zelden uit eten en dat kwam vooral doordat mijn vader als zakenman al zo vaak verplicht buiten de deur moest eten, dat hij er met zijn gezin geen zin meer in had.

Nu waren er in het Randstedelijke en gereformeerde gehucht Bodegraven waar ik opgroeide, ook geen goede restaurants. Ik herinner me uit mijn jeugd eigenlijk alleen één gênant bezoek aan de plaatselijke Chinees. Ter viering van mijn moeders verjaardag in oktober had ze een grote pan erwtensoep gemaakt, maar die te snel opgewarmd waardoor hij zuur was geworden, en dus besloot mijn vader ons mee te nemen naar de Chinees.

In het lege restaurant zat enkel een dronken kerel met een scheur in zijn broek die bier uit flesjes dronk. En ons gezin, natuurlijk, dat uit zes personen bestond. Van het eten herinner ik me niets, maar wel dat mijn vader de rekening van 99,90 gulden voldeed met een briefje van honderd en triomfantelijk riep: ‘Het is goed zo.’

Uit: Het roer om

 

 

 

Wordt vervolgd